Een site-to-site VPN verbindt twee netwerken alsof ze één omgeving vormen. Bij een storing kunnen complete locaties niet meer bij servers, telefonie, applicaties of back-ups. Een tunnelstatus “up” betekent bovendien niet altijd dat het gebruikersverkeer goed door de tunnel loopt.
Controleer de tunnelstatus aan beide kanten
Bekijk fase 1 en fase 2 van de verbinding, de laatste handshake en eventuele foutmeldingen. Vergelijk instellingen aan beide kanten: encryptie, lifetime, pre-shared key of certificaat en lokale en remote subnetten.
Controleer publieke IP-adressen
Een wijziging van het WAN-adres, dubbele NAT of een providerrouter kan de tunnel onderbreken. Controleer of de firewall vanaf de andere kant bereikbaar is en of de benodigde VPN-protocollen worden doorgelaten.
Let op overlappende subnetten
Wanneer beide locaties hetzelfde lokale subnet gebruiken, kan routing niet bepalen waar verkeer heen moet. Dat vraagt om hernummering of gecontroleerde NAT. Voeg niet zomaar statische routes toe als de adressering fundamenteel overlapt.
Controleer routing en retourverkeer
De route naar het remote subnet moet aan beide kanten bestaan. Controleer ook de default gateway van servers en clients. Als een ping één kant op werkt, wijst dat vaak op ontbrekend retourverkeer of een firewallregel.
Test met een concreet doel
Gebruik een server, poort of applicatie die daadwerkelijk nodig is. ICMP kan geblokkeerd zijn terwijl de applicatie werkt, en andersom. Test DNS, SMB, RDP of de specifieke bedrijfsapplicatie afzonderlijk.
Monitor de verbinding
Leg tunnelstatus, latency, packet loss en datavolume vast. Een tunnel die dagelijks kort wegvalt kan net zo veel impact hebben als een permanente storing, maar wordt zonder historie vaak gemist.
Hulp nodig bij een verbinding tussen locaties? Bekijk onze netwerkondersteuning. Wij ondersteunen ook IT-resellers met site-to-site VPN en routing als white-label technische achterwacht.